Afgelopen zaterdag las ik een interessante column van financieel journalist Martin Visser in De Telegraaf. Pensioenfondsen zijn positief over hun gestegen dekkingsgraden. Dat klinkt als goed nieuws, maar tegelijkertijd hebben sommige fondsen miljarden verloren op hun beleggingen. Hoe kan hun financiële positie dan toch verbeteren?
Wat zegt de dekkingsgraad?
De dekkingsgraad laat de verhouding zien tussen het vermogen van een pensioenfonds en de berekende waarde van alle pensioenen die het fonds nu en in de toekomst moet betalen.
Een dekkingsgraad van bijvoorbeeld 132% betekent, eenvoudig gezegd, dat tegenover iedere €100 aan berekende pensioenverplichtingen €132 aan pensioenvermogen staat.
Dat verschil is niet zomaar vrij beschikbaar. Pensioenfondsen hebben buffers nodig voor tegenvallende beleggingsresultaten, veranderingen in de rente en andere financiële risico’s. Bovendien is de dekkingsgraad een momentopname. Het percentage kan stijgen zonder dat het pensioenvermogen groeit.

De invloed van de rente
Pensioenfondsen rekenen hun toekomstige pensioenuitkeringen terug naar de waarde van vandaag. Daarbij speelt de rente een belangrijke rol. Als de rente stijgt, hoeft een pensioenfonds vandaag op papier minder geld te reserveren voor pensioenen die pas over vele jaren worden uitbetaald. De berekende pensioenverplichtingen dalen dan. Daardoor kan de dekkingsgraad stijgen, zelfs als het fonds verlies maakt op zijn beleggingen.
Dit gebeurde bij ABP en PME
Deze situatie deed zich in het derde kwartaal van 2026 daadwerkelijk voor bij ABP. Het fonds behaalde een negatief beleggingsrendement van 4,3%. Het pensioenvermogen daalde daardoor met € 24,3 miljard naar € 543 miljard. Tegelijkertijd namen de berekende pensioenverplichtingen nog sterker af, van € 447 miljard naar € 411 miljard. Hierdoor steeg de actuele dekkingsgraad toch, van 126,9% naar 132,2%.
Ook bij PME was dit zichtbaar. Het pensioenvermogen daalde van € 63,8 miljard naar circa € 61 miljard, terwijl de verplichtingen afnamen van bijna €50 miljard naar ongeveer € 45,9 miljard. De actuele dekkingsgraad steeg daardoor van 127,7% naar 132,8%. PME geeft zelf aan dat deze stijging vooral werd veroorzaakt door de hogere rente.
Dat is wat mij betreft de belangrijkste boodschap uit de column van Martin Visser: kijk niet alleen naar de positieve berichten over de dekkingsgraad, maar ook naar het werkelijk aanwezige pensioenvermogen en de behaalde beleggingsrendementen.
Waarom is dit juist nu belangrijk?
Bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel wordt het gezamenlijke pensioenvermogen verdeeld over persoonlijke pensioenvermogens en gezamenlijke reserves. De dekkingsgraad op het moment van de overgang speelt daarbij een belangrijke rol.
Pensioenfondsen ABP en PME willen op 1 januari 2027 overstappen. Hoeveel vermogen het fonds kan verdelen, hangt vooral af van de dekkingsgraad op 31 december 2026. Een hogere dekkingsgraad kan dus wel degelijk gunstig uitpakken voor deelnemers. Maar het betekent niet automatisch dat het fonds goede beleggingsresultaten heeft behaald of dat het pensioenvermogen is gegroeid. Laat je dus niet misleiden door dit soort berichtgeving, maar kijk verder.
Pensioen vraagt om eerlijke uitleg
Pensioen is een complex financieel product. Daarom vind ik het belangrijk dat deelnemers niet alleen veel informatie ontvangen, maar vooral juiste, begrijpelijke en eerlijke informatie. Wie vertelt werknemers wat de cijfers werkelijk betekenen? En bij wie kunnen zij terecht wanneer zij vragen hebben of ontevreden zijn over de behaalde beleggingsresultaten?
Als je bedenkt hoeveel geld iedere deelnemer tijdens zijn of haar werkzame leven in het pensioen opbouwt, is het onvoorstelbaar dat de persoonlijke informatievoorziening niet veel uitgebreider en toegankelijker is. Juist daarom zijn kritische journalisten zoals Martin Visser belangrijk. Zij kijken verder dan het geruststellende percentage en vertellen ook wat er onder de oppervlakte gebeurt.

Advies hoort dichtbij te zijn
Een aanvulling op het pensioen kan ook persoonlijker worden opgebouwd. Bij Vermogensbeheer Friesland kunnen klanten via een lijfrentebeleggingsrekening een eigen voorziening voor later opbouwen binnen de regels van de Wet inkomstenbelasting 2001. De rekening staat op naam van de klant en de waarde is inzichtelijk. Bijstorten kan eenmalig of periodiek, maar is niet verplicht. Voor een fiscaal aftrekbare inleg moet wel voldoende jaar- of reserveringsruimte beschikbaar zijn. Daarnaast is het vermogen bestemd voor latere periodieke uitkeringen en daarom niet vrij opneembaar. Maar onze klanten weten dat, want zij worden hierin volledig in begeleid.
Het belangrijkste verschil zit in het persoonlijke aspect van de begeleiding. Onze klanten kunnen met hun vragen terugvallen op ons kantoor. We kennen hun situatie en staan klaar om uitleg te geven wanneer ontwikkelingen op de financiële markten daartoe aanleiding geven. Als onze klanten bellen dan nemen wij de telefoon op en nemen we de vraag in behandeling. Maar wie bel je als je vragen hebt over de beleggingsresultaten van ABP, of als het antwoord achter een gestegen dekkingsgraad je niet geruststelt?
Dit artikel is geschreven naar aanleiding van de column van Martin Visser in De Telegraaf.